Archeologen vinden menselijke ruggen op stokjes


Mensen in de Chincha-vallei in Peru regen zo’n 500 jaar geleden de ruggengraten van overledenen aan houten staven. Was het om vijanden te straffen? Een absurd ritueel om anderen schrik aan te jagen? De archeologen die deze ruggen vonden, denken van niet.

Het kan een poging zijn geweest om de lichamen van de doden tijdens de Europese kolonisatie weer tot leven te wekken. Dat denken Britse archeologen die 192 voorbeelden van dergelijke ruggen op stokjes hebben opgegraven. Het gaat onder meer om de resten van kinderen. Het zou een geritualiseerde reactie op het Europese kolonialisme zijn.

De wetenschappers onderzochten zo’n zeshonderd begraafplaatsen in de Chincha Vallei. Het onderzoek bracht 192 voorbeelden van deze wervels-op-een-staak aan het licht, schrijven ze in het vakblad Antiquity. Het rijgen was met zorg gedaan, zagen de archeologen, misschien zelfs liefdevol.

Een koolstofdatering van het riet dat gebruikt werd om de stekels aan elkaar te rijgen wijst naar een relatief korte periode, tussen 1450 tot 1650 na Christus. Dat was aan het einde van de Inca overheersing en het begin van de Europese kolonisatie. Het kan bijna niet anders of die omwenteling moet de aanleiding zijn tot deze praktijk.

Wat mensen met de stokken deden is niet bekend. Misschien zijn ze gebruikt als rammelaars om vijanden schrik aan te jagen. Misschien zelfs als magische wapens.