Nieuws

Driftige peuters: wat moet je ermee?


De manier waarop je reageert op een boze of hangerige peuter, heeft invloed op zijn gedrag later.

Stel: Je bent een trotse, liefhebbende ouder van een peuter van drie jaar oud. Net als een oude jeugdvriend gezellig op bezoek is, gaat je kind krijsend en schreeuwend op de grond liggen. Driftig trapt hij met zijn handen en voeten heen en weer. Er is geen land meer met hem te bezeilen. Wat doe je?

a. ‘Stop daarmee, je bent toch baby meer’, zeg je geïrriteerd.

b. Je stuurt de driftkikker voor straf naar zijn kamer om af te koelen.

c. Je vraag aan je kind waarom hij zo boos is, en als je geen contact meer krijgt, wacht je rustig af tot de bui overgaat.

d. Iets anders…

Is je kind boos, bang, huilerig of driftig, stuur het dan niet zonder eten naar bed.

Volgens ontwikkelingspsychologen is antwoord C pedagogisch gezien het meest verantwoord. Als je kind boos of angstig is, moet je hem door zijn emoties heen sluizen, want anders kan hij op latere leeftijd angstig en teruggetrokken gedrag gaan vertonen.

Als je een peuter straft voor zijn frustraties en driftbuien, of je doet alsof zijn angsten nergens op slaan, dan kan een kind zijn problemen gaan internaliseren. Hij leert dat zijn ouders hem liever vinden als hij zijn emoties verbergt – de fundering voor een latere binnenvetter is gelegd.

Wetenschappers vroegen aan ouders van jonge kinderen hoe vaak hun kind de afgelopen maand boos of angstig was geweest, en hoe ze in deze of andere hypothetische situaties (zouden) reageren.

Mama’s en papa’s die hun kind straften als het boos was, hadden kinderen die zich op latere leeftijd angstiger en meer teruggetrokken gingen gedragen. Bij jongetjes was dit effect het sterkst. Zeg dus niet tegen een heetgebakerd jochie dat hij zich niet moet aanstellen, of zich eens als een echte kerel moet gedragen. Negatieve emoties mogen er zijn. Als je ze aanvaardt, ebben ze meestal vanzelf weg.

Bron: Social Development Foto: Jarenwicklund, Dreamstime