Nieuws

De vlinderman die de evolutietheorie redde


De meeste wetenschappers doen niets liever dan hun eigen onderzoeksideeën uitpluizen. Michael Majerus, die op 27 januari 2009 op 54-jarige leeftijd overleed, dacht daar anders over. De insectenonderzoeker aan de Universiteit van Cambridge in het Verenigd Koninkrijk wijdde zijn laatste jaren aan het overdoen van een klassieke studie naar de evolutietheorie van Charles Darwin, die in diskrediet was geraakt.

Het verhaal gaat terug tot 1848, nog voor het verschijnen van Over het Ontstaan van Soorten in 1859, waarin Darwin zijn revolutionaire evolutietheorie beschreef. In dat jaar dook namelijk in de buurt van het Engelse Manchester een donker gekleurde variant op van de berkenspanner, een algemene nachtvlinder met normaal een lichte ´peper-en-zout´ kleur. Deze ´melanische´ berkenspanner nam snel in aantal toe, totdat het in 1895 98% van de berkenspannerpopulatie uitmaakte. Wat er aan de hand kon zijn, bedacht een vooraanstaande insectenonderzoeker uit die tijd, James Tutt. Door de industriële revolutie vanaf rond 1850 waren de bomen in de buurt van industriële centra als Manchester door roet donker geworden. En berkenspanners rusten overdag op bomen. Hierdoor werden veel meer berkenspanners van de oorspronkelijke kleur, die opvielen tegen de donkere achtergrond, gegeten door vogels – terwijl de melanische variant een prima camouflage had. Een prachtig voorbeeld van Darwin´s evolutietheorie, volgens welke de het best aan de heersende omstandigheden aangepaste exemplaren van een soort beter overleven en meer kinderen krijgen, zo leek het.

Beelden uit Kettlewell´? klassieke studie: zoek de berkenspanners!

Tutt´s idee bleef een halve eeuw liggen. Tot Bernard Kettlewell van de Britse Universiteit van Oxford in 1953 besloot het in het veld te toetsen. Kettlewell liet gekweekte berkenspanners van beide kleurvarianten los in twee bossen, de een vervuild en de andere in een schoon natuurgebied. Geheel volgens Tutt vielen in het vervuilde bos de peper-en-zout berkenspanners enorm op, terwijl de donkere vormen nauwelijks te zien waren. In het schone bos was het precies andersom. Kettlewell turfde de overleving van losgelaten vlinders, en inderdaad verdwenen de opvallende vlinders het snelst. Dat kwam door vogels, leerden directe waarnemingen vanuit een schuilhutje. Het onderzoek haalde alle leerboeken als hét voorbeeld van evolutie in actie.
Maar in 1998 kwam er harde kritiek. Kettlewell zou zijn berkenspanners op onnatuurlijke plekken op bomenstammen hebben geplaatst, waardoor zij veel meer opvielen. De insecten werden in abnormale aantallen losgelaten, en waren bovendien gekweekt. Niet vogels maar vleermuizen eten de meeste berkenspanners, dus konden vogels geen ´natuurlijke selectie´ uitoefenen. Tegenstanders van evolutie riepen Kettlewell in koor uit tot fraudeur – het beroemdste voorbeeld van evolutie een verzinsel!

Majerus pakte in 2001 de handschoen op. Hij liet uit het wild gevangen berkenspanners los in dezelfde dichtheden als in de natuur, en liet ze natuurlijke rustplaatsen kiezen. Precies hetzelfde gebeurde als bij Kettlewell: de opvallende berkenspanners verdwenen het snelst én omdat ze werden gepakt door vogels. Door ´s nachts te observeren, ontdekte Majerus dat vleermuizen weliswaar veel berkenspanners eten, maar evenveel donkere als lichte. Vogels konden dus prima selectie uitoefenen overdag. Het mooiste kwam nog. De Engelse bossen zijn door milieumaatregelen veel schoner geworden. Majerus analyseerde de aantallen zout-en-peper en melanische berkenspanners van jaar tot jaar in Engelse bossen, en ontdekte dat de natuurlijke selectie op de insecten de afgelopen 50 jaar precies is omgedraaid: tegenwoordig zijn er maar 2% melanische berkenspanners.

Bron: presentatie Michael Majerus (ESEB 2007), Nature