Nieuws

Was er voor de oorlog al een soort straattaal?


Was er voor de oorlog al een soort straattaal? – Lorenzo

Straattaal is er al zo lang er straten zijn. Alleen noemden mensen het vroeger anders: bargoens. Dat was de taal van de venters, de boodschappenjongens, de handelaren en alle andere mensen die op straat hun geld verdienden. Welke woorden iemand precies gebruikte, was een kwestie van locatie en sociale achtergrond. Meestal was het een merkwaardige mix van Jiddisch, Frans, Duits en Nederlands.

Hoe dat klonk? Ongeveer zo:

bollebof = kastelein, huisbaas of gevangenisdirecteur.
dikke sorie = aanstellerij
heitjespieijzer = kleine krabbelaar, handelaar
van de klets zijn = homoseksueel zijn
mazematte = gestolen goed
nifteren = vermoorden
patetter = trut
rondom lelijk = miezerig mannetje
schuiverd = lesbiënne
tokkelen = Seks hebben
zespijper = arrestantenwagen

Voor de oorlog speelde het leven zich meer op straat af. De mensen die daar werkten, hadden hun eigen taal. Foto: New York Public Library.

Ook een vraag? Stel hem via het contactformulier.

Follow Faqtman on Twitter