Nieuws

Waarom kunnen mensen niet tegen zeewater?


Waarom kunnen wij zo slecht in en met zeewater leven, terwijl wij daar toch uit voortgekomen zijn? Wanneer zijn onze voorouders van zee- op zoetwater overgeschakeld? – Abraxas

Niet helemaal duidelijk is wat de vragensteller bedoelt. Mogelijk denkt hij dat vroege mens-achtigen in of aan zee leefden en daar later niet tegen konden. Ofwel hij vraagt zich af waarom mensen, anders dan hun verre voorouders de vissen, niet tegen het drinken van zeewater kunnen.

Zo veel water, niks te drinken

Om met het eerste te beginnen: bewezen is dat zogeheten ´anatomisch moderne´ mensen, onze directe voorouders die zo´n tweehonderdduizend jaar geleden in Afrika ontstonden, weleens aan zee leefden. Daarop wijzen bijvoorbeeld ongeveer honderdvijfentwintigduizend jaar oude werktuigen gevonden bij oude koraalriffen langs de kust van het huidige Eritrea in Oost-Afrika. Waarschijnlijk overleefden Steentijd-mensen daar door mosselen en andere vastzittende schelpdieren te verzamelen en misschien wel met de visvangst. Wat FAQT betreft kan de mens heel goed zijn liefde voor zon, zee en strand aan deze periode hebben overgehouden.

Makaken in zee

Er is nog een controversiële theorie die veel verder gaat: moderne mensen kwamen voort uit in zee levende mens-apen. Het ´water-aap´ idee, voor het eerst bedacht door de Britse zeebioloog Alister Hardy, is gebaseerd op een paar eigenaardigheden van mensen vergeleken met de meeste zoogdieren. Mensen zijn haarloos, net als olifanten en nijlpaarden, die veel tijd in water doorbrengen. Ook is er de zogeheten duikersreflex, waarbij zelfs heel jonge kinderen onder water automatisch hun adem inhouden en hun hartslag vertragen – net als zeehonden en walvisachtigen. Interessant, die aanpassingen aan het water, maar volgens het gangbare antropologische onderzoek heeft de water-aap nooit bestaan.

Ongeveer 365 miljoen jaar geleden moet een vis-achtig wezen uit zee zijn gekropen, van waaruit de eerste landbewonende viervoeters en veel later mensen ontstonden. Van belang is dat met die omslag ook iets enorms veranderde in de omgeving van de dieren. In de waterige cellen van dieren (en planten), is voor allerlei levensprocessen de juiste hoeveelheid opgeloste zouten noodzakelijk. Watermoleculen bewegen altijd van een minder sterke naar een sterke oplossing en de kleine moleculen passen makkelijk door kleine gaatjes in celwanden. Dit proces heet osmose.

In zeewater is de omgeving zouter dan het inwendige van de cellen, waardoor de cellen continu water verliezen. Vissen compenseren dit door water op te nemen via bek en kieuwen, en tegelijk via de kieuwen de extra binnengekregen zouten uit te scheiden. Op het land is de situatie met osmose precies omgekeerd, en beweegt water in principe ´vanzelf´ cellen in. Toch is op het land water meestal schaars, en moeten dieren water drinken of binnenkrijgen via voedsel. Dat is ook nodig omdat zij continu water verliezen door transpiratie en de urine die nodig is om gifstoffen af te voeren.

Dit gaat goed zolang het water zoet is of een klein beetje zout. Is het water zo zout als zeewater, dan trekt osmose water uit de lichaamscellen, waardoor ze uitdrogen. Op hersencellen heeft dat een verwoestend effect. Vandaar dus dat schipbreukelingen die, gek van dorst, toch flink wat zeewater wegklokken, helemaal waanzinnig worden en uiteindelijk sterven.

Bron: o.a. Campbell, Biology, 1999; Beeld: Dreamstime