Nieuws

Wetenschapper fileert Wilders


Geert Wilders is zijn politieke opvattingen meer als feiten gaan presenteren. Dat concludeert promovendus Maarten van Leeuwen (Universiteit Leiden), die onderzoek deed naar het taalgebruik van Geert Wilders (PVV), Ella Vogelaar (PvdA) en Alexander Pechtold (D66). Hij keek onder andere naar een tot dusver onderbelicht terrein: dat van de grammatica.

Je kunt je standpunt presenteren in een hoofdzin plus bijzin. In het geval van Wilders: ‘ik vind dat de islam een gewelddadige ideologie is’. Of je kunt zeggen: ‘de islam is een gewelddadige ideologie’, dus zonder bijzin. Gebruik je alleen de hoofdzin, dan presenteer je je standpunt meer als een feit. Je biedt dan minder ruimte voor discussie.

Van Leeuwen analyseerde 47 parlementaire toespraken in de periode 2004-2009 en ontdekte dat Wilders vanaf 2007 veel minder bijzinsconstructies als ‘ik vind dat…’ is gaan gebruiken. Het is opvallend dat deze afname samenvalt met het moment dat Wilders politieke ideeën volgens politicologen radicaler worden.

Ella Vogelaar, PvdA-minister van Wonen, Wijken en Integratie in het kabinet Balkenende IV, stond bekend als een wollig spreekster. Volgens Van Leeuwen het resultaat van het gebruik van woorden als ‘hierdoor’ of ‘daarmee’ waarbij niet duidelijk is waar deze woorden op sloegen. Ook sprak Vogelaar in ingewikkelde zinnen en gaf ze geen voorbeelden. Dat laatste doet iemand als Wilders, die juist bekend staat om zijn heldere taalgebruik, veelvuldig.

‘Hij haalt concrete voorbeelden aan om zijn punt te illustreren. Bijvoorbeeld door een opmerking als “Henk en Ingrid betalen voor Achmed en Fatima”. Waardoor het voor iedereen duidelijk is waarover hij het heeft.’

Een ander opvallend verschil met Vogelaar is dat Wilders systematisch spreekt van ‘de Nederlanders’ of ‘de islam’. Hiermee suggereert hij eenduidige, heldere categorieën, terwijl er in werkelijkheid binnen zo’n groep veel meer diversiteit is. Vogelaar gebruikte minder vaak lidwoorden, sprak van ‘mensen’ en liet groepen onbepaald.