Nieuws

Waarom we met de klokken knoeien


Dit weekend gaat de klok weer een uur achteruit. Maar waarom doen we dat eigenlijk? De reden ligt diep in de historie verscholen. Al in 1895 kwam een insectenverzamelaar uit Nieuw-Zeeland op het idee om de klok in de zomer vooruit te zetten, zodat er meer daglicht zat aan het einde van de dag. Hij wilde die vooral gebruiken om insecten te vangen. De overheid bestudeerde zijn voorstel, maar voerde het niet in.

Toch bleef het idee hangen. In de Eerste Wereldoorlog bedacht de Duitse regering dat het handig zou zijn om de klok voor te laten lopen en zo een uur extra zonlicht te hebben. Daardoor zou de bevolking energie sparen, was de theorie. Om exact dezelfde reden voerde Nederland, samen met een groot deel van West-Europa, in 1977 opnieuw de zomertijd in. Olie was schaars en de economie haperde. Door de lampen een uur later aan te doen, zouden we energie besparen.

Er is veel onderzoek gedaan of dat inderdaad zo werkt. Het korte antwoord is nee, zomertijd bespaart geen energie. Wat we ‘s avonds besparen, krijgen we er ‘s ochtends bij. Doordat het langer donker is, branden er dan ook veel lichten. Het is wel goed voor bepaalde sectoren van de economie, vooral de horeca. Doordat het langer licht blijft, zitten mensen langer op het terras.

Als we geen energie besparen, waarom is de zomertijd dan niet afgeschaft? Omdat de mensen dat uur extra zonlicht in de zomer prettig vinden. Iedere laatste zondag van maart gaan de wijzers een uur vooruit, iedere laatste zondag van oktober gaan ze weer terug. Altijd midden in de nacht, omdat allerlei systemen dan het makkelijkst aangepast kunnen worden.