Uitgebroede reptielen konden meteen vliegen


Voordat babyvogels kunnen vliegen, moeten ze eerst flink oefenen. Soms is zelfs letterlijk een duwtje van de ouders nodig. In de tijd van de dinosauriërs leefden gevleugelde reptielen die mogelijk al meteen hun vleugels konden uitslaan.

De moderne vogels zijn zelf nog dinosauriërs, als directe afstammelingen van de vroege theropoda. Dat was ironisch genoeg een diersoort die niet kon vliegen. Toen zij nog op twee poten over de aarde liepen, waren pterosauriërs de koningen en koninginnen van de lucht. Volgens een nieuwe studie konden die pterosauriërs waarschijnlijk al vliegen vanaf het moment dat ze uit het ei kwamen.

Eerder onderzoek concludeerde dat pterosauriërs waarschijnlijk net zo leerden vliegen als de vogels van vandaag. Vondsten van prehistorische embryo’s zouden laten zien dat ze slecht ontwikkelde vleugels hadden, wat zou betekenen dat ze als baby nog flink wat hulp van hun ouders nodig hadden. Het nieuwe onderzoek zou met flink wat nieuwe gegevens het tegenovergestelde aantonen.

In 2017 vonden paleontologen een kolonie van pterosauriërs van de soort Hamipterus tianshanensis. Ze vonden de fossielen onder een laag modder die 100 tot 145 miljoen jaar geleden was neergelegd tijdens overstromingen in het Chinese Jinzhou. De vondst bestond naast honderden fossiele botten van volwassenen en jonkies ook uit driehonderd eieren. Daarbij waren zestien eieren met daarin embryo’s in verschillende stadia van ontwikkeling.

De onderzoekers vergeleken de fossielen in China met andere recent gevonden fossielen uit China en Argentinië. Het eerdere onderzoek was ervan uitgegaan dat alle embryo’s ongeveer even ver ontwikkeld waren. Nu kon dankzij metingen van de grootte en vorm van de eieren, de lengte van ledematen en andere leeftijdsindicatoren worden vastgesteld dat de eieren varieerden van net gelegd tot bijna klaar om uit te komen. Ze keken ook naar gegevens over jonge dieren van negen andere pterosauriër-soorten én moderne krokodillen en kwartels om een beeld te krijgen van de volgorde waarin hun botten harder worden. De conclusie is dat de kleine pterosauriërs uit hun ei komen met de juiste verhoudingen en botten die sterk genoeg zijn om meteen op te stijgen.

Eén van de sterkste aanwijzingen is dat de pterosauriërs vroegrijpe vliegers waren is dat hun belangrijkste bot bij het vliegen (vergelijkbaar met de middelvinger bij mensen) al heel vroeg hard is. Bij de meeste gewervelde dieren is het het een van de laatste botten die goed hard worden. Moderne vliegende dieren die al snel kunnen vliegen hebben niet dezelfde ontwikkeling. Vleermuizen bijvoorbeeld zijn niet net zo snel ontwikkeld. Pterosauriërs kwamen echter uit het ei met dezelfde verhoudingen als volwassen dieren.