Stamboom ontrafeld tot ijstijd


Een studie naar het DNA van prehistorische menselijke overblijfselen heeft veel nieuwe informatie opgeleverd over de inwoners van Europa in de IJstijd.

Onderzoekers hebben het genetisch materiaal bekeken van 51 individuen die leefden tussen 45.000 en 7.000 jaar geleden. Daardoor is nu meer duidelijk over de biologie van die vroege bewoners, zoals hun huidskleur en de kleur van hun ogen, en hoe ze aan elkaar verwant waren.

De nieuwe inzichten zijn nu mogelijk dankzij technologische ontwikkelingen in de afgelopen twintig jaar, waardoor het mogelijk is geworden onderzoek te doen naar restjes DNA uit prehistorische botten. De belangrijkste conclusie is dat de migratiepatronen 40.000 jaar geleden minsten zo complex waren als nu. Mensen die als eersten aankwamen op het continent, droegen maar weinig bij aan latere populaties. Tussen 37.000 en 14.000 jaar geleden waren er verschillende groepen Europeanen die afstamden van een enkele bevolking in het gebied dat nu België is.

Vanaf 14.000 jaar geleden raakten de Europeanen meer verwant aan bevolkingen uit het Midden-Oosten, de Kaukasus en Turkije. Dat gebeurde aan het eind van de IJstijd toen het klimaat warmer begon te worden en mensen uit het Zuid-Oosten mogelijk meer naar het noorden trokken.
Het onderzoek laat zien dat massale migratie in het Neolithicum (vanaf 7.000 jaar geleden) en de bronstijd (5.000 jaar geleden) het genetische landschap van Europa grondig veranderde.

De analyse van genen van de Europeanen uit de IJstijd laat zien dat ze een donkere huid en bruin haar hadden. Pas vanaf 14.000 jaar geleden begonnen blauwe ogen zich te verspreiden. Een lichte huid verscheen pas 7.000 jaar geleden, met de komst van vroege landbouwers uit het nabije oosten.

Vroege Europese volken stamden meer af van Neanderthalers dan de moderne mens, wat klopt met het idee dat veel van het DNA van de Neanderthalers schadelijke effecten had. Wetenschappers denken dat die erfelijkheden dan ook verloren zijn gegaan dankzij natuurlijke selectie.