Ruimtelijk inzicht vrouwen is prima


25677271842_18974681b2_b

Vrouwen zijn minder goed zijn in ruimtelijk inzicht dan mannen, dat is een algemeen bekend feit. Maar toch zou dat wel eens een naar misverstand kunnen zijn.

Het stereotype over vrouwen is dat ze minder goed dan mannen kunnen inparkeren, inschatten hoe je grote meubels door een trapgat moet sluizen, route-aanwijzingen geven of kaartlezen. Alles waar je dingen driedimensioneel voor je moet zien, daar zouden vrouwen niet veel van kunnen. Er is ook veel onderzoek dat daar bewijs voor levert. Aangezien je bij wetenschap, technologie en wiskunde veel ruimtelijk inzicht nodig hebt, zou dit stereotype wel eens de reden kunnen zijn dat in die gebieden er minder vrouwen meedoen. Toch zijn er nog veel onbeantwoorde vragen. Worden vrouwen anders geboren of worden ze anders opgevoed dan mannen? Kunnen ze ruimtelijk inzicht trainen? En bestaat het verschil tussen mannen en vrouwen wel echt, of zit het hem in hoe onderzoek wordt gedaan?

Uit een nieuw onderzoek blijkt dat dat laatste wel eens van belang zou kunnen zijn. Psychologen ontdekten dat vrouwen beter presteerden op ruimtelijke tests als sommige aspecten van die tests anders zijn dan normaal. De onderzoekers denken dat het idee dat mannen beter ruimtelijk inzicht hebben dan vrouwen wel eens een gevolg zou kunnen zijn van de manier waarop de vragenlijsten in elkaar zitten.

De Amerikaanse onderzoekers lieten 135 studenten testjes doen die ruimtelijke inzicht meten. De studenten werd gevraagd om verschillende locaties voor zich te zien en objecten zich voor te stellen vanaf een ander perspectief dan dat van henzelf. Sommigen kregen de traditinoele versie van de test, met instructies die het probleem benaderen als een ruimtelijke opdracht. Er werd bij gezegd dat vrouwen dat soort opdracht vaak minder goed doen dan mannen. Dat is dan ook wat er gebeurde.

Anderen kregen dezelfde opdracht, maar dan opgeschreven vanuit het perspectief van een persoon in plaats van een object. Sommige opdrachten zeiden erbij dat vrouwen dit soort sociale-intelligentie-opdrachten beter doen dan mannen. Bij die opdrachten verdwenen de verschillen tussen mannen en vrouwen. Vrouwen deden de opdrachten net zo goed als de mannen. De prestaties van de mannen bleven gelijk, onafhankelijk van welke opdracht ze kregen.

Het zou dus wel eens zo kunnen zijn dat mannen en vrouwen helemaal niet zo veel verschillen als het gaat om deze cognitieve vaardigheid, maar dat we het gewoon steeds onderzocht hebben op zo’n manier dat vrouwen al meteen op een achterstand staan. Het zou kunnen dat mannen en vrouwen andere mentale processen gebruiken om ruimtelijke vraagstukken op te lossen. Door vragen anders te stellen, dus bijvoorbeeld door een sociaal element erin te stoppen, kregen de vrouwen mogelijk de ruimte om het probleem op een manier op te lossen die voor hen beter werkt.