Nieuws

Natuur nog steeds getraumatiseerd door uitstervingen


Ruim 12.000 jaar geleden werd de wereld gedomineerd door grote landdieren, de megafauna. In Europa had je de wolharige mammoet, in Australië de buidelwolf, in Noord-Amerika de holenleeuw en in Zuid-Amerika de grondluiaard. Maar een dodelijk combinatie van menselijke jagers en een ongunstig klimaat liet ze uitsterven. De ecosystemen voelen daar nog steeds de gevolgen van, schrijft Chris Doughty in Nature Geoscience.

Hij en collega’s simuleerden de verspreiding van fosfor, een voedingsstof die belangrijk is voor de groei van planten, in het Amazonegebied van Zuid-Amerika. Nu vindt je daar weliswaar een prachtige diversiteit aan diersoorten, maar geen grote dieren meer, zoals de grondluiaard en de olifantachtige gomphotheriden.

Uit het model bleek dat de megafauna het fosfor vijftig maal verder verspreidde dan nu het geval is. Dat komt doordat de grote beesten verder trekken in hun zoektocht naar voedsel en hun maaltijd langer in hun maag en darmen houden, voordat ze het vruchtbare fosfor verspreiden via hun uitwerpselen.

Volgens Doughty kun je de megafauna voorstellen als de grote slagaderen die bloed vervoeren in een lichaam. Gaan de grote landdieren dood, dan is het dus alsof je de aderen van een ecosysteem doorsnijdt. Het lijkt erop dat hetzelfde is gebeurd in Noord-Amerika, Europa en Australië na het uitsterven van de megafauna daar.

Overigens heeft de mens nu een aanzienlijk deel van de fosforverspreiding op zich genomen. Alleen een probleem: wij verspreiden het niet egaal, maar geconcentreerd. Zo bemesten we alleen bepaalde plekken en houden we grote dieren als koeien in begrensde stukken land. Wat dat voor effect heeft, durft Doughty niet te zeggen.

Plaatje: een grondluiaard