Goed nieuws. Hoe kleiner de planeet, hoe vaker deze voorkomt, blijkt uit onderzoek aan 166 zonachtige sterren in onze buurt.
Exoplaneten, planeten buiten het zonnestelsel, kunnen op drie manieren worden ontdekt: de zwaartekracht die ze op hun ster uitoefenen, de lichtafzwakking als ze voor hun ster langs bewegen en direct, door hun licht waar te nemen.
Vooral bij grote planeten (groter dan Jupiter) dicht bij de centrale ster lukt dat. Kleine planeten zo groot als de aarde worden totaal overstraald door hun ster. Ze zijn te licht om hun ster te laten schommelen en laten het licht van hun ster nauwelijks afzwakken als ze er langs bewegen. Het record staat nu op 1,9 aardmassa’s voor de zongeblakerde exo-aarde Gliese 581 g, die extreem dicht (5 miljoen km) bij een heel licht M-sterretje staat.
De waarnemingsresultaten van astronoom Howard en zijn collega’s van de universiteit van Berkeley spreken populaire, nogal pessimistische planeetvormingsmodellen tegen die stellen dat aardachtige planeten dicht bij een zon naar binnen tollen en door hun zon worden opgeslokt.
Maar ongeveer één op de vijftig sterren heeft een Jupiterachtige planeet. Exo-broertjes van Neptunus komen drie keer zo vaak voor. Superaardes, tussen de drie en tien keer zo zwaar als de aarde, bij een op de acht. Howard en collega Marty hebben de resultaten van deze getallenreeks doorgetrokken en komen uit op een resultaat van één op de vier sterren voor exo-aardes, dat wil zeggen: planeten met een massa van een halve tot twee aardes. Helaas zijn waarschijnlijk veel van die exo-aardes onleefbare teerballen, maar er blijven nog genoeg aardachtige zuurstofplaneten over.
Physorg: aardachtige planeten komen veel voor



