Nieuws

IJstijd liet aboriginals samenklonteren


Tijdens de laatste grote ijstijd, 20.000 jaar geleden, raakte 80 procent van Australië onbewoonbaar. In de bergen vormden zich enorme gletsjers, de rest van het land was droog, dor en koud. Tot die ontdekking zijn Australische archeologen gekomen. Toch woonden er toen ook al mensen in het zuidelijke continent: de aboriginals. Die moesten hun levensstijl drastisch aanpassen.

Dat deden de aboriginals door samen te klonteren rond waterbronnen. Daar stelden ze alles in op overleven. Grote delen van Australië werden ontvolkt, alleen rond grote rivieren en bij het uiteinde van gletsjers bleven mensen wonen. Die gingen over op een dieet met meer vis en moesten in veel hechtere groepen leven.

Tijdens de ijstijd daalde de zeespiegel wel 120 meter. Dat betekende ook nieuwe mogelijkheden, zo was Nieuw Guinea ineens aan Australië verbonden en kon je daar te voet heen. Wellicht liggen er op de zeebodem nog nederzettingen van de aboriginals die dichter naar de kust zijn getrokken. Wellicht zijn ook veel aboriginals naar andere delen van Azië gevlucht.

de bevindingen zijn opmerkelijk aangezien de aboriginals 50.000 jaar geleden naar Australië zijn gekomen tijdens een andere ijstijd. Ook toen daalde de zeespiegel dramatisch, zodat het makkelijker was om vanuit Azië naar Australië te komen. Het onderzoek naar de oorspronkelijke inwoners van Australië staat in het vakblad Journal of Archaeological Science.