Nieuws

Hoe je een Nobelprijs wint


Alexander Fleming was een sloddervos. Terwijl zijn collega’s in het laboratorium iedere avond hun werkplek poetsten om hun proefjes niet te verontreinigen, waste hij zijn spullen vaak niet eens af. Daardoor groeiden er soms zelfs schimmels. Een daarvan was penicilline, ‘s wereld eerste antibioticum. Voor zijn slordigheid kreeg Fleming de Nobelprijs.

De Schot is het bewijs dat je een flinke dosis geluk moet hebben om de hoogste onderscheiding in de wetenschap te ontvangen. Maar kennis is zeker zo belangrijk. Fleming herkende dat in het bakje met penicilline geen bacteriën te vinden waren. Daarop constateerde hij dat de schimmel blijkbaar antibacterieel werkt.

Sommige wetenschappers kunnen een geweldige loopbaan hebben en nooit zo’n doorbraak meemaken. Zij krijgen geen Nobelprijs, die gaat alleen naar onderzoekers die ‘een deur openen’, zoals het organiserend comité het noemt. We moeten als mensheid een andere richting inslaan door een ontdekking. Oeuvreprijzen worden niet gegeven. Ook kun je de prijs niet posthuum ontvangen.

Om zo’n doorbraak te forceren is wel degelijk vaak hard werk nodig. Wilhelm Röntgen ontdekte straling die dwars door het lichaam ging en op fotografisch papier kan worden vastgelegd. Hij sliep wekenlang op zijn laboratorium om die vinding te perfectioneren. Zonder dat harde werken was zijn ontdekking misschien een trucje gebleven.

Maar ook minder briljante en ijverige wetenschappers winnen soms de prijs. Op het juiste moment op de juiste plek zijn is ook belangrijk.

De Japanner Koichi Tanaka won in 2002 de prijs voor scheikunde voor een nieuwe techniek van chemische analyse. Die techniek had hij niet zelf ontdekt, daaraan werkte een bedrijf waar hij ging werken. Ook andere wetenschappers ontwikkelden zulke technieken, soms zelfs betere. Maar Tanaka publiceerde er als eerste over. Want ook dat bezorgt je een Nobelprijs: opschrijven en publiceren wat je hebt gedaan.