Hét homo-gen bestaat niet


lesbiennes

Welke rol spelen genen bij homoseksualiteit? Een studie van 480.000 mannen en vrouwen biedt antwoorden: hét homo-gen bestaat in ieder geval niet. Maar dat betekent niet dat genetica geen enkele rol speelt bij het ontwikkelen van seksuele voorkeuren. De juiste combinatie van genen zorgt wel dat je op het eigen geslacht valt. Maar ook weer niet altijd.

De studie, uitgevoerd door het Institute for Molecular Medicine Finland en gepubliceerd in het tijdschrift Science, betreedt een ideologisch mijnenveld. Want het wakkert een oude discussie aan. Is gedrag aangeboren of aangeleerd? In het tweede geval is er sprake van iets dat ook weer kan worden afgeleerd.

Voor de studie gebruikten de onderzoekers de genen van een half miljoen mensen die zich bij de Britse genetische Biobank hadden gemeld. Deze mensen gaven vervolgens schriftelijk aan wat hun seksuele voorkeur was.

Wat de Finnen bij deze zeer grote groep proefpersonen ontdekten, is dat er dus niet één gen bestaat dat homo of lesbisch maakt. Lang dachten wetenschappers dat zo’n homo-gen zou bestaan. Een paar keer leek dat ook ontdekt, maar steeds bleek het toch niet het geval. Toch zijn het wel degelijk de genen die je voorzichtig de een of andere kant op duwen; het Finse team ontdekte in het genoom van de proefpersonen vijf gensequenties, die verband houden met de seksuele geaardheid.

Iemand die homoseksueel is krijgt de bouwstenen van die sequenties van zowel zijn vader als moeder. Maar om het ingewikkeld te maken, zagen de onderzoekers de sequenties soms ook bij mensen die zichzelf absoluut niet als homoseksueel identificeerden. Nu kan het zijn dat zij stiekem toch bepaalde gevoelens hadden, maar die zijn dan blijkbaar niet zo heftig dat mensen er iets mee moeten. Genen en homoseksualiteit: het ligt genuanceerd.