Het dieet in 700 voor Christus: bier, bloedworst en kaas


Wat aten mensen heel vroeger? Tenzij ze daar iets over hebben opgeschreven, tasten we in het duister. Tenzij de omstandigheden precies goed zijn. In een zoutmijn bij het Oostenrijkse Salzburg is het constant 8 graden en het is er natuurlijk heel zout. Daardoor zijn de uitwerpselen en urine van generaties mijnwerkers goed bewaard. Zelfs millennia lang. Voor historici een grote schat.

De oudste uitwerpselen van de mannen die hier in het zout bikten, bevatten sporen van bier, bloedworst en kaas. Ze dateren van rond 700 voor Christus. Dat ontdekten onderzoekers van Eurac Research uit Italië. Ze vonden de resten van deze voedingsmiddelen in poep die eruitzag alsof iemand het gisteren had geproduceerd. Allemaal dankzij het geweldige klimaat in de mijn.

Die kaas was overigens schimmelkaas, de onderzoekers vonden veel resten van paddenstoelen en schimmels die de mensen uit de ijzertijd gebruikten om hun eten te fermenteren. Daaronder – toen al – roquefort. Verder waren er veel bonen aanwezig en af en toe fruit, noten en groenten. Vlees troffen de onderzoekers bijna niet aan. Het dieet bleef door de tijd heen opmerkelijk hetzelfde.

De mijnwerkers aten gezond, met veel vezels en koolhydraten voor hun zware arbeid. Hun darmflora zag er goed uit en hielp de mannen sterk te houden, schrijven de wetenschappers in Current Biology. Hun darmen waren in veel betere conditie dan de onze, met alle geraffineerde suikers, plastic en gebrekkige vezels.