Factchecken werkt – maar niet bij iedereen


Het was een paar jaar geleden een nieuw fenomeen in de journalistiek: factchecken. Daarin nemen journalisten met hulp van specialisten wilde verhalen op de korrel die rondgaan op sociale media. Wil Bill Gates de wereldbevolking decimeren? Zit er anticonceptie in de strepen achter vliegtuigen? Maar de grote vraag bleef lang onbeantwoord: werkt het?

Het antwoord, na een studie in vier landen, is ja, een beetje. Wetenschappers van Ohio State University werkten met een groep proefpersonen uit Zuid-Afrika, Groot-Brittannië, Nigeria en Argentinië om te zien hoe ze reageerden op feitenchecks. Ze kregen een mix van echt en nepnieuws te verwerken, waarna de onderzoekers het nepnieuws via een factcheck ontkrachtten. Daarbij gebruikte het experiment een mix van nationaal en internationaal nepnieuws.

Hoe geloofwaardig vonden mensen de nieuwsberichten? Op een schaal van 1 (totaal geloofwaardig) tot 5 (zeer ongeloofwaardig) daalde het vertrouwen in de nepberichten met 0,59. Na twee weken was dat nog steeds zo. Het ging daarbij om gemiddelden, veel deelnemers namen het nepnieuws niet meer serieus. Maar een kleine groep bleek totaal resistent tegen het factchecken. Wat ze ook te horen kregen, ze geloofden nog steeds onzin.

Volgens de wetenschappers, die publiceerden in het vakblad Pnas, had het factchecken geen negatief effect. Mensen gingen er nepnieuws in ieder geval niet meer door geloven. Maar ze adviseren wel om de resistente groep nader te bestuderen om te zien waar hun houding vandaan komt.