Nieuws

Etnische diversiteit slechte zaak voor leerprestaties


Leerlingen van scholen met een grote etnische diversiteit presteren minder goed dan leerlingen van scholen met een homogene samenstelling. Dit geldt zowel voor allochtone als voor autochtone leerlingen. Jaap Dronkers, hoogleraar internationaal onderwijsonderzoek aan de Universiteit Maastricht heeft dit ontdekt na empirisch onderzoek.

Het is een dreun voor de multiculturele zaak. Vandaag vertelt hij over de resultaten van zijn onderzoek tijdens zijn inaugurele rede.

Samen naar school in Melaka, Maleisië

Samen naar school in Melaka, Maleisië

Ook speelt het aantal en de herkomst van allochtone leerlingen een belangrijke rol. Hoe meer leerlingen uit islamitische landen hoe slechter de prestaties van alle leerlingen. Opmerkelijke uitkomst: hoe hoger het aandeel van leerlingen uit Zuid- en Oost-Azië hoe groter hun positieve effect op ieders schoolprestaties. Een hoger aandeel allochtone leerlingen bevordert de onderwijsprestaties van allochtone leerlingen alleen wanneer die allochtone medeleerlingen uit dezelfde regio komen. Dit geldt vooral voor leerlingen uit islamitische landen en uit Zuid- en Oost-Azië.

Deze bevindingen zetten de discussie over islamitische, witte en joodse scholen in een ander daglicht. De uitkomsten van het onderzoek verklaren volgens Dronkers de voorkeur van ouders voor een school waar de eigen groep domineert. Toch blijkt uit de voorzichtige woordkeuze van de hoogleraar nog wel een beetje hoe gevoelig het onderwerp ligt in Nederland. Zijn oratie draagt bijvoorbeeld de titel: ‘Positieve maar ook negatieve effecten van etnische diversiteit in scholen op onderwijsprestaties’. Ook zegt hij:

‘Ik ben een socioloog die onderwijs bestudeert. De kern van wat ik doe, is onderwijs en ongelijkheid bestuderen. Op de eerste plaats ben ik een empiricus. Ik vind niks, ik reken uit. Mijn rol is het goed doorrekenen van aannames en veronderstellingen die mensen hebben over hoe de dingen in elkaar zitten. Dus als men zegt, zoals onlangs Nederland Kiest Kleur deed, ‘de onderwijsachterstand van migrantenkinderen komt door het slechte milieu waar ze uit komen’, dan zeg ik: dat wil ik graag narekenen. En dan luidt de uitkomst dat leerlingen afkomstig uit islamitische landen lagere onderwijsprestaties hebben dan andere vergelijkbare allochtone leerlingen. Die achterstand kan niet door de sociaal-economische achtergrond, schoolkenmerken of onderwijsstelsel verklaard worden. Het eenzijdig hameren op de sociaal-economische achterstand of kenmerken van scholen of onderwijsstelsels heeft dus geen empirische basis.’

De data die Dronkers heeft gebruikt zijn afkomstig uit de 2006-versie van het Program for International Student Assessment (PISA). Sinds 2000 wordt deze test om de drie jaar afgenomen bij 15-jarige leerlingen woonachtig in een groot aantal OECD-lidstaten. Het doel van de test is het in kaart brengen van de wiskunde-, natuurkunde- en leesvaardigheden aan het eind van de periode van verplicht onderwijs. De analyse is gebaseerd op 9.279 immigrantenleerlingen (afkomstig uit 35 verschillende herkomstlanden en woonachtig in 15 Westerse landen) en alle 76.569 autochtone leerlingen van deze 15 landen. De Nederlandse data maken alleen onderscheid tussen geboren binnen en buiten Europa en zijn daardoor onbruikbaar, maar Dronkers gaat ervan uit dat het Nederlandse onderwijs niet veel zal afwijken van de onderzochte landen.

Dronkers bekleedt vanaf heden de leerstoel International comparative research on educational performance and social inequality aan het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt van de Universiteit Maastricht.