Donkere voetballer pakt vaker geel

Is het racisme of grof spel?


dreamstime_xs_35295817

Voetballers van Afrikaanse herkomst hebben in de Belgische competitie twee keer meer kans om een gele of rode kaart te krijgen dan hun blanke collega’s. Dat zeggen sportsociologen van de KU Leuven. Onderzoekers bekeken de gegevens van 530 spelers die in het seizoen 16/17 in actie kwamen in de Jupiler Pro League.

Het valt op dat vooral zwart-Afrikaanse aanvallers vaak geel en rood krijgen, ze hebben maar liefst vier keer meer kans op een kaart dan een blanke speler. Er is niet onderzocht of de kaarten terecht zijn toegekend of niet. Of er sprake is van racisme, of dat Afrikaanse spelers vaker smerige overtredingen maken, is dus niet bekend.

Überhaupt spelen in België veel Afrikanen. Een kwart van de spelers in de Belgische eerste divisie komt van zuidelijk van de Sahara, tegen 2 procent voor de hele Belgische samenleving. Doorstroom van het veld naar de bestuurskamer is er nauwelijks. Afrikanen zijn vrijwel nooit coach, scheids- of lijnrechter. Schijnbaar keren ze na hun loopbaan op het veld vaak terug naar hun thuisland.

Racisme op het veld is overigens heel normaal, net als in alle geledingen van de samenleving. Dat blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht naar voetbalcommentatoren. Die praten vaak in stereotypen. Donkere spelers zijn in hun commentaar vaak ‘sterk’, latino’s niet zo slim. Voor het onderzoek werd het voetbalcommentaar van het programma RTL Voetbal in het seizoen 2007/2008 geanalyseerd. Daarin roemden de commentatoren bij spelers van Surinaamse herkomst opmerkelijk vaak hun lichamelijke kracht.

Spelers uit Latijns-Amerika komen er slechter van af; ze worden geregeld omschreven als tactisch niet zo sterk of in de eerste plaats ‘uit op eigen succes’.

De Belgen bevestigen dat beeld. Tegen de zender VTM zei de onderzoeksleider: ‘Het clichébeeld wil dat atleten met een zwarte huidskleur over lichamelijke eigenschappen zouden beschikken die hen beter geschikt maken voor sporten waarbij snelheid en kracht van belang zijn. Hoewel er wetenschappelijk weinig tot geen bewijs is, blijft dat stereotype hardnekkig aanwezig.’