Nieuws

Azië kende aartsvaders


Genetisch onderzoek toont aan dat eeuwen geleden enkele Aziatische mannen heel veel kinderen kregen. Hun genen leven tot vandaag voort. Het verhaal doet denken aan Djengis Khan, de Mongoolse leider van wie wordt gezegd dat hij honderden kinderen kreeg bij tientallen vrouwen. Khan was niet alleen, zo blijkt uit een studie gepubliceerd in het wetenschappelijke blad Nature.

In totaal zijn negen ‘aartsvaders’ geïdentificeerd in Azië. Hun genetische vingerafdruk is aanwezig in ruwweg 16 miljoen Aziaten. Deze grootverwekkers leefden tussen 2100 voor Christus en 700 AD. Wellicht is Djengis Khan één van hen; een andere kandidaat is de Chinese keizer Giocangga, uit de zestiende eeuw. Ook de andere aartsvaders kwamen uit noordelijk China en Mongolië.

Voor het onderzoek werden vijfduizend mannen uit 127 Aziatische bevolkingsgroepen onderzocht. In hun genetisch materiaal waren negen Y-chromosoom sequenties te vinden die opmerkelijk overeen kwamen. Dat zijn de overblijfselen van de aartsvaders, die ieder honderden zonen moeten hebben gehad om hun erfelijk materiaal zo goed door te geven.

Volgens de onderzoekers is het bestaan van de aartsvaders een teken dat Azië in die periode veranderde in een continent met een strakke hiërarchische samenleving. Daarin kunnen bepaalde mannen zeer machtig worden. Schijnbaar hoort daarbij dat ze niet zuinig zijn met hun zaad. Eerder is een soortgelijk mechanisme aangetroffen in het Midden-Oosten.