Alles ist vorbei: waarom statistieken voetbal niet voorspellen


Het is langzamerhand traditie aan het worden. Vlak voor een WK laten statistici hun supercomputers brommen en voorspellen wie wereldkampioen wordt. Vooral Duitsers doen daar aan mee en ze komen vaak tot dezelfde conclusie: Duitsland is favoriet. Zo ook bij dit WK, waar samen met Brazilië Duitsland hoge ogen zou gooien.

Maar het liep – zoals bekend – iets anders.

Gênant natuurlijk, als je net enkele honderdduizenden simulaties hebt gedaan op een computer en de uitkomsten daarvan aan de grote klok hebt gehangen. Toch zitten de statistici er niet helemaal naast. Alle teams die ze op grond van de waarde van spelers en eerdere wedstrijden tot favoriet hebben uitgeroepen, zitten nog in de strijd. Behalve Duitsland, een outlier, zoals professionele rekenaars zoiets noemen. De uitzondering die de regel bevestigt.

Bovendien, zo werpen veel statistici tegen, ze hadden bijna gelijk. Als Mats Hummels in de 86ste minuut goed had gekopt, in plaats van het laffe balletje, dan was de bal in het Koreaanse doel gegaan en had Duitsland de wedstrijd gewonnen. Zo dun is de grens tussen winnen en verliezen. De vorm van de dag is bij een spel als voetbal, waarbij weinig doelpunten vallen, van disproportioneel groot belang. In statistieken is zoiets dus bijna niet te vangen.

De supercomputers zaten er overigens vaker naast. Egypte zou doorgaan naar de tweede ronde, zo voorspelden bijna alle wiskundigen. Helaas voor de voetballende farao’s liep dat anders. Colombia zou er uit vliegen, was de andere voorspelling van de grote mainframes die niet uitkwam. Met statistieken is dus niet alles te voorspellen. Zeker niet tijdens een WK, waar over het lot van teams wordt beslist tijdens enkele wedstrijden. Wat dat betreft is een competitie makkelijker.

En omdat het zo leuk is, heeft de universiteit van het Beierse Passau na de eerste ronde de eigen supercomputer nog eens op het voetbal losgelaten. Wie wordt van de huidige teams wereldkampioen? Frankrijk, zeggen de Duitsers.