Alleen wie pap eet, kan de F zeggen


kun je de F zeggen

Wat je eet, zorgt hoe je praat. Een internationaal team van taalkundigen komt tot de conclusie na wereldwijd onderzoek van talen en eetgewoontes. Het meest opmerkelijk? Mensen die leven als jagers en verzamelaars vermijden de F en V in hun taal. Ze kunnen geen ‘foefje’ zeggen.

Volkeren die daarentegen een vaste verblijfplaats hebben, gebruiken die letters wel veel. Ze zijn in de loop der tijd zachter voedsel gaan eten als pap en kaas en hebben daardoor een mond gekregen die een iets andere stand heeft. De lippen worden door een zacht dieet iets langer en liggen meer tegen de snijtanden aan. Door die langere lippen te tuiten en met de stembanden een toon te maken, produceer je de F-klank.

Om deze hypothese te testen, werden mensen over de hele wereld onderzocht en ondervraagd. Het klopt, schrijft het team nu in het vakblad Science. In zuidelijk Afrika wonen bijvoorbeeld stammen die vooral leven van harde voeding, als grassen en vlees. Ze verrekken het om de F of V uit te spreken. Ook in Azië is de scheiding tussen harde en zachte eters goed te zien. En daarmee ook de volkeren die fiets kunnen zeggen.

Daarnaast maakten de wetenschappers een soort robotmond na, waarmee ze keken hoe moeilijk of makkelijk het is om ‘effe’ te zeggen als je er de mond niet voor hebt. De conclusie? Het is bijna onmogelijk. Via dat foefje voert hun proef ook tot de vaststelling dat je veel vermicelli moet eten om vervolgens te kunnen vloeken.